
Ik ben blij dat de afkeuring door het UWV alleen maar betrekking op mijn werk en niet mijzelf. (Beeld Pixabay,, plus beeld en bewerking Wat zegt Jan)
Sinds vandaag krijg ik een uitkering van het UWV. Na meer dan dertig jaar werken val ik niet meer in de categorie “ik heb een fulltime dienstverband”. Ik moet nu bij enquêtes aanvinken dat ik “werkloos en niet op zoek naar een baan/ langdurig ziek of arbeidsongeschikt” ben. Ik zie wel eens op sociale media commentaren dat mensen die een uitkering krijgen van alles worden genoemd zoals klaplopers, uitvreters, nietsnutten en “profiteurs van mijn belastingcenten”. Het is allemaal op mij van toepassing en dat doet wat met me.
Toen ik in mei vorig jaar met mijn hersenletsel in een Frans ziekenhuis belandde en de arts zei dat ik een “massive stroke” had gehad, kon ik de gevolgen niet overzien. Dit belette mij niet om te vragen wanneer ik weer kon gaan werken. De arts keek mij meewarig aan en zei dat ik die vraag maar 6 maanden moest parkeren tot in november. Een paar weken later vertelde de arts in een Nederlands ziekenhuis dat ik schade in mijn hoofd had ter grootte van een tennisbal, waarop ik aangaf dat ik toch weer wilde gaan werken. Ik zag bij deze arts weer dezelfde blik en kreeg een soortgelijk antwoord. Ik moest mij niet druk maken over de toekomst. Ik moest leven in het hier en nu en daarbij mijn energie in mijn revalidatie gaan stoppen. In het revalidatiecentrum herhaalde dit vraag-en-antwoord spel zich, waarbij ze mij ook nog eens voorspelde dat mijn hand en arm waarschijnlijk geen functie zouden terugkrijgen en dat ik mij buiten de deur met een scootmobiel zou moeten gaan verplaatsen. Misschien kon ik wel een kort stukje lopen, maar mijn energie was zo beperkt dat ik die maar beter aan iets anders kon besteden. Mijn verzet tegen al dit, in mijn ogen, pessimisme was groot. Ik dacht: “Dat zullen we nog wel eens zien!”
Oké, ik moest nu eerst revalideren en ik zou wachten met mijn “kan ik nog werken vraag”, maar ondertussen dacht ik iets anders. Mijn lichaam was dan misschien beperkt, maar mijn hoofd was toch nog goed? Ik dacht naïef dat omdat mijn werk niet fysiek-, maar hoofdwerk was, dat werken toch nog wel zou lukken. Als ik maar wil dan kan ik alles, toch? Na mijn klinische revalidatie ging ik nog vier maanden poliklinisch revalideren. In de tussentijd bezocht ik mijn huisarts waar ik voor inmiddels de vierde keer dezelfde meewarige blik over werken kreeg. Pas bij de poliklinische revalidatie gingen we kijken naar mijn werkmogelijkheden. Uiteindelijk zeiden ze daar, na veel aandringen van mijn kant, dat 8-16 uur per week al een grote uitdaging zou worden, maar dat ik zoiets vooral met mijn bedrijfsarts moest bespreken. Mijn teleurstelling en verzet was best groot. Ik was toch alleen maar moe door het harde trainen? Mijn been was bovendien toch al zo veel beter en ach, ik kan ook vast wel met één hand typen? Dan zat er toch wel wat meer in?
Toen het revalidatieproces afliep, was ik hondsmoe, maar voldaan. Moet je kijken wat ik allemaal weer kon. Ik had alle pessimisten toch maar mooi een poepie laten ruiken. Mijn bedrijfsarts keek mij met wederom dezelfde blik aan en gaf aan dat hij niet verwachtte dat ik duurzaam in mijn werk zou terug kunnen keren. Ja, dat kon hij dan wel zeggen, maar in mijn idee hoefde ik alleen maar een maandje bij te komen van mijn harde trainen en dan zou ik prima kunnen starten met het langzaam opbouwen van werken. Waarom zou ik nu wel luisteren naar anderen? Ik weet zelf toch zeker het beste wat werkt voor mij! Maar een maand later zat ik met tranen in mijn ogen bij mijn bedrijfsarts. Ik zag geen uitweg meer en vroeg om hulp. Ik kon mijzelf letterlijk en figuurlijk maar amper staande houden gedurende een dag. Het gewone dagelijkse leven was al moeilijk genoeg voor mij, dus hoe kon ik dat nou combineren met werken? Stom genoeg dacht ik dat een arbeidstherapeut via mijn werk mijn dagelijks leven wel even op het juiste pad zou kunnen zetten. Ik zou daar vast wel kunnen leren hoe ik een goede normale dag zou kunnen hebben en daarna zou werken toch geen probleem meer zijn? Mijn arts was hard en zei dat mijn werkgever niet voor hulp in mijn dagelijks leven was en dat ik daarvoor buiten mijn werk om hulp moest zoeken.
Ik ben trots op mijzelf dat ik keer op keer toch weer hulp aanvaardde ondanks mijn eergevoel en behoefte om alles zelf te doen. Maar ook met een nieuwe ergotherapeut werd mijn dagelijks leven niet makkelijker. Het enige waar deze mij mee hielp was met het inzicht dat ik naast fysieke beperkingen toch ook zeer zware energetische beperkingen had. Gelukkig had ik ondertussen ook een psycholoog ingeschakeld. De psycholoog hielp mij om te gaan met gevoelens van verdriet en somberte doordat de realiteit mij dwong mijn zelf- en toekomstbeeld steeds weer bij te stellen. Met veel emoties maar misschien ook wel met meer realiteitszin kwam ik weer terug bij de bedrijfsarts. Deze stelde voor om een belastbaarheidsonderzoek te laten doen. En zo geschiedde. Na gesprekken en onderzoeken met verzekeringsartsen, een neuroloog en een arbeidsdeskundige kwam het rapport. De conclusie was wederom hard maar duidelijk. Door mijn fysieke beperkingen was zelfs “eenvoudig manueel “of “data-entry-werk” niet mogelijk. Dat was makkelijk te accepteren, maar het was wel even slikken dat er ook in stond dat door mijn invaliderende moeheid het ook niet als realistisch werd gezien dat ik mentaal werk aan zou kunnen. Bovendien was het inmiddels alweer een jaar na mijn letsel en waren de vooruitzichten voor verder herstel minimaal. Er was nu inmiddels al bijna tien keer op veel verschillende manieren tegen mij gezegd dat ik niet meer kon werken en eindelijk voelde ook ik die realiteit.
Ik heb op dit moment mijn dagelijks leven redelijk op orde. Ik kan veel leuke dingen doen. Ik heb met veel plezier oude hobby’s opgepakt. Ik Lego. Dat was eerst alleen maar therapie, maar nu heb ik er echt weer lol in. Ik loop met mijn hond. Dat was eerst ook alleen maar therapie want daarna zou ik weer eindeloze wandelingen kunnen gaan maken. Maar ik kan nu echt weer genieten van een half uurtje wandelen. Ik yoga. Ook dat zette ik eerst weer therapeutisch in, maar ik merkte al snel dat ik daar eigenlijk alleen maar blijheid en rust uit haalde. Ik kan de therapie maar beter aan mijn fysiotherapeuten overlaten. Ik kan met mijn energie helaas niet meer dagelijks aan yoga doen, maar als ik het goed plan kan ik één keer per week nog wel genieten van wat yoga nog steeds voor mij betekent.
Gelukkig kan ik wel nog steeds dagelijks mediteren. Net als vóór mijn letsel is dit een constante oefening en net als toen, maar misschien nog wel meer, blijft meditatie mij helpen met geluk vinden met wat ik in het hier en nu tegenkom of zie. Maar ik had meer nuttige dingen bedacht. Omdat ik wist dat hersenletsel vaak leidt tot overprikkeling probeerde ik al tijdens mijn ziekenhuistijd op mijn tablet TV te kijken. Toen ik eenmaal weer thuis was, ben ik weer naar de bioscoop gegaan en dat allemaal om mijzelf te laten wennen aan (over)prikkeling. Om dit proces te ondersteunen heb ik inmiddels zes streamingdiensten en een Cineville-pas tot mijn beschikking. Al deze visuele stimulatie bleek niet te helpen met het beter kunnen verwerken van werkprikkels, maar ik kan nu wel griezelen, zwijmelen, lachen, huilen en verrast en geïnspireerd zijn door al het moois dat ik zie in streaming- en bioscoopland.
Mijn Calvinistische geest vindt het maar raar dat ik dit allemaal kan en doe. Waarom kan ik dan toch niet werken als ik dit allemaal wel kan? Ik kan dit stemmetje dat mij een schuldgevoel aanpraat, makkelijk van repliek dienen. Ja, ik kan elke dag een paar uur iets van al deze leuke dingen doen. Maar de werkelijkheid is dat ik dit allemaal alleen maar kan mits ik van tevoren voldoende rust neem en daarna ook weer ga slapen. Ik moet het steeds weer voorbereiden, plannen en met alles balanceren. Ik kan het allemaal, maar niet tegelijkertijd of snel achter elkaar.
Vroeger deed ik bijna al deze dingen naast veertig uur werken en nu bestaat mijn leven alleen nog maar uit deze “leukigheid”. Voor alle activiteiten heb ik steeds opnieuw de keuze of ik ze doe of niet. Ik heb geen enkele verplichting om ze te doen, dus als het op dat moment niet gaat, kan ik ze uitstellen of overslaan. En dat is iets wat met werk niet gaat. Ik kan werk niet een week laten liggen of niet doen Zo werkt werken niet. En dat doet mij eraan denken dat ik één van alle leuke dingen die ik doe nog ben vergeten te noemen. Ik blog, zoals je nu merkt. En dat is toch ook iets wat ik regelmatig doe en ogenschijnlijk niet uit- of afstel. Bloggen is inderdaad heel therapeutisch werk, niet in het kader van mijn herstel, maar eigenlijk alleen maar omdat het past bij wie ik ten diepste ben. Gelukkig kan ik nog steeds wat bij mij van binnen zit naar buiten brengen, maar het is in eerste instantie alleen maar voor mijzelf. Als ik een blog later of niet schrijf, merkt niemand daar wat van. Niemand rekent op mij, zoals dat op mijn werk wel zou gebeuren.
Voel ik mij dus een klaploper of voel ik mij nu schuldig? Nee dat niet, maar zoals ik het eerder benoemde klopt mijn verhaal niet meer en moet ik opletten dat ik mijzelf geen pijn doe met zelfverwijten. Ik ben niet blij met de pijn en het verdriet. Ik ben wel blij dat ik een uitkering krijg, waardoor ik nog steeds (weliswaar minder) geld heb om een leuk leven te leiden. Dat leven is anders dan ik had verwacht of gepland. Er zijn ook gezonde mensen die tegen mij zeggen, dat ze zich niet voor kunnen stellen dat ze niet meer werken, want “ik moet toch wel wat te doen hebben”. Dat herken ik vanuit de tijd van voor mijn letsel, maar mijn werkelijkheid is nu zo anders. Ik kan niet meer ondernemen dan ik nu doe. Ik zit aan mijn max. Het is niet anders. Werken kan gewoonweg niet.
Door mijn beperkingen te nemen zoals ze zijn en door te genieten van de paar kleine dingen die ik op dit moment doe, ben ik toch een gelukkig mens. Het is een geluk dat ik dit nog steeds met mensen kan delen zowel in de offline- als de onlinewereld. Ondanks dat ik ben afgekeurd voor het werkende leven, voel ik geen afkeuring van de mensen om mij heen en ook niet meer van mijzelf. Ik heb nog een plek in dit leven. Die plek is wel anders dan voorheen, maar hij is er nog wel. Ik ben dankbaar dat ik die plek nog mag innemen en dat ik nog zoveel liefde mag ontvangen. Dus bij deze bedank ik het UWV dat ik ben afgekeurd en dat zij mij als permanent en volledig arbeidsongeschikt beschouwen. Maar ik schrijf nu een nog groter woord van dank aan mijn lezers, kennissen, (ex-) collega’s, vrienden en familie die mij allemaal niet afkeuren, maar mij gewoon nemen zoals ik nu ben. Dank jullie wel.
Ik ben Jan Monster, de blogger van Wat zegt Jan. Je kunt hier contact met me opnemen. Wil jij geen blog missen, volg dan de Wat zegt Jan-pagina’s op Instagram, Facebook, LinkedIn, Twitter en WordPress.com.




























Jij bedankt voor het schrijven van deze indrukwekkende weergave van het proces dat jij hebt doorlopen, en waar je nog altijd in zit. Heel waardevol dat je dit wilt delen!
LikeGeliked door 1 persoon