Het is nodig dat ik mijn eigen pad loop om betekenis aan het leven en de dood te geven. Mijn (voor)ouders hebben mij opgevoed met de gedachte dat er niets is na de dood. Nu ik een heel eind op mijn spiritueel pad heb afgelegd kom ik tot dezelfde conclusie. Door op mijn eigen wijze tot (dit) inzicht te komen voel ik mij compleet.
Mijn spirituele pad begint niet met mij maar bij mijn voorouders. Iedereen komt ergens uit voort. Dit geldt niet alleen voor ons DNA, maar ook voor onze ideeën en gedachten. Voor mij begon het in ieder geval bij mijn overgrootouders en grootouders. De verhalen gaan dat zij een sterk socialistisch gedachtengoed hadden. Ze waren actief in de vakbond, stemden rood, liepen mee in het protest tegen de vlootwet en droegen een gebroken geweertje. Dit maakte ook dat religie niet iets was van troost, hoop of zingeving. Religie was iets wat meespeelde bij de onderdrukking van de arbeiders. Het was het opium van het volk. Over leven en dood was hun gedachte dat er alleen in dit leven iets was en na de dood was er niets. Op hun uitvaart klonk de Internationale en verder was het een kille bedoening. Deze manier van zijn, gaf mij geen warm gevoel en bezorgde mij misschien wel een angst voor de dood die decennia heeft geduurd.
De zienswijze van mijn overgrootouders heeft zich zeker in mijn ouders voortgezet maar zij hebben er ook mee gebroken. Zij konden beter leren dan wat uiteindelijk “toegestaan” was voor kinderen van hun achtergrond (of wat mijn grootouders klasse noemden). Zij streefden in hun carrière dan ook hun diploma’s voorbij. De weerstand die mijn vader en moeder voelden in hun leven maakte waarschijnlijk dat zij mij en mijn zus toch naar een christelijke school stuurden in plaats van naar een openbare. Dat was zeker niet voor het Bijbelse gedachtegoed, maar omdat die school nu eenmaal als de beste in de buurt bekend stond. Door deze schoolkeuze kon ik mij intellectueel goed ontwikkelen en kreeg ik natuurlijk ook veel mee van de protestantse denkbeelden en rituelen. Op school was er weinig sprake van warmte of liefde. Niet in het leven en ook niet over de dood.
Misschien zorgde mijn rode opvoeding ervoor dat ik er niet echt voor open stond maar wat mij van de godsdienstlessen bijbleef is dat ik aan allemaal verstikkende regeltjes moest voldoen en dat ik dan pas heel misschien na mijn dood naar de hemel zou gaan. Dit hielp mij niet. Ik kon me niet voorstellen hoe ik, die toch aan mijn lijf gekoppeld was, ooit naar zo’n mythische plek zou kunnen gaan, want mijn lijf was er na de dood toch niet meer? Bovendien was voor mij duidelijk dat ik in deze visie niet voor het hemelrijk in aanmerking kwam door mijn alles-ter-discussie-stellende karakter. Het “niets” van mijn (groot-)ouders voelde eerlijker en logischer dan een hiernamaals, maar ik werd wel bang van de gedachte dat ik in het niets terecht zou komen na mijn dood. Hoe moest ik omgaan met eindeloze leegte, donkerte en niets? Ik voelde mij verloren. Gelukkig hebben de lagere en middelbare school mij wel perfect voorbereid op de christelijke cultuur in de wereld om mij heen, waardoor ik wist hoe ik mij daartoe moest verhouden. Bovendien kon ik mijn geest op deze goede scholen steeds verder aanscherpen. Helaas hielpen ze alleen niet met (de zin van) het leven en de dood te begrijpen.
Aan het eind van de middelbare school werkte ik mee aan een kerstvoorstelling waarin wij, de leerlingen, in deze zelfgecreëerde voorstelling onze worstelingen met het leven en de dood probeerden duidelijk te maken. Het thema was uiteindelijk “soms even”. In ons gevoel was er weinig vaststaand en waren wij allemaal soms even dit en soms even dat. Voor mij was het toen heel helend om te merken dat in ieder geval deze groep mensen ook voelde dat het leven een complex iets was en dat het zich niet in simplistische regels of dogma’s liet vangen.
Ik vond zowel op school als op de universiteit geen antwoorden op mijn levensvragen en ben zingeving nog lange tijd in wereldse kennis blijven zoeken. Kennis hielp me dan misschien niet met deze grote levensvragen, maar het legde wel een mooie basis voor mijn maatschappelijk succes. Ook bleek tijdens mijn opleidingen dat ik mij politiek handig in organisaties kon bewegen en ontwikkelde ik een sterk analytische geest waarmee ik complexe vraagstukken goed kon doorzien. Schrijven kon ik niet zo goed, maar ik kon wel lullen als Brugman, zoals we dat in Rotterdam zeggen.
Intussen werd ik ook onderdeel van een niet-praktiserende Katholieke schoonfamilie. Hier hanteerden zij de regel: ”Ik hou wel van God maar niet van zijn grondpersoneel”. En in deze familie heerste de grondgedachte dat God liefde was – niet meer en niet minder. Dit was voor het eerst dat ik dacht: dit voelt goed. Hier kan ik wat mee. Maar deze manier van denken werd nooit echt eigen, nooit van mij.
Mijn leven kwam meer en meer op orde. Een vrouw, een baan, een huis en een kind, waarbij ik ook in aanraking kwam met antroposofie, reiki, chakra’s, zwangerschap-yoga en NLP. Dit waren allemaal wereldbeelden en filosofieën die mooie elementen aanreikten voor een harmonieuzer en liefdevoller leven. Ik was op een mooie plek in mijn leven maar toen kreeg ik opeens heftige hoofdpijnen. Ik bleek tegen de grenzen te zijn aangelopen van hoe ik zingeving via mijn denken kon bereiken. Ik moest iets veranderen. Met behulp van een biograaf ben ik op dat moment mijn leven gaan bekijken en begon ik nog meer in contact te komen met mijn gevoel. Ik leerde luisteren naar mijn gevoel en mijn innerlijk weten.
Binnen het hyper-rationele en kapitalistische bedrijf waar ik werkte werd ik gezien als een gevoelsmens. Een typisch gevalletje van in het land der blinden is éénoog koning. Ik kreeg de gelegenheid om mij te ontwikkelen tot coach met heel wat trainingen en opleidingen. Deze opleidingen gaven mij steeds meer inzicht hoe een mens wordt gevormd. Ik kreeg te maken met veel visies en gedachten die waren ontwikkeld om mensen te helpen met het vinden van antwoorden op belangrijke vragen. Wie ben ik? Wat doe ik hier? Doe ik ertoe? Wat is mijn betekenis? De machinaties van onze menselijke geest, en dus ook die van mij, werden mij steeds duidelijker. Maar zoals Confucius schijnbaar al zei: “Hoe meer ik weet, hoe meer ik weet wat ik allemaal niet weet.” Nog steeds had ik geen antwoord op mijn belangrijke vraag over het “niets” na de dood, maar ik voelde mij in het hier en nu goed. Als ik mij daarop concentreerde en deed wat bij mij paste was ik een gelukkig mens en daardoor verdween mijn doodsangst steeds verder naar de achtergrond.
Toch bleef ik meer een cerebraal- dan een gevoelsmens. Mijn lichaam kreeg te weinig aandacht. Ik nam een besluit dat ik daar iets aan moest gaan doen. De keuze viel op yoga, maar dan niet de zweverigere soort. Ik koos voor yoga die ik kon beoefenen in de sportschool. Wat ik toen niet wist, maar wat ik inmiddels van veel meer mensen heb gehoord, is dat je yoga vaak begint om een aardse reden, maar dat je het vaak blijft doen omdat het je met zoveel meer in contact brengt. Zeker hier in het westen beginnen we met yoga vanuit de lichaams- of gezondheidscultus. Nu zie ik dat door mijn lichaam flexibel en sterk te maken en door controle over mijn adem te krijgen, ik ook steeds meer controle over mijn geest krijg.
Geïnspireerd door mijn coachingsopleidingen en yoga begon ik met dit blog en las ik boeken als ”de kracht van het nu” van Eckhart Tolle en “Het Tibetaanse boek van leven en sterven” van Sogyal Rinponche. Ik denk niet dat ik deze en andere boeken echt helemaal heb gelezen, laat staan dat ik ze helemaal begreep. Ze gaven mij een rationeel inzicht en gaven mij antwoorden op vragen die ik had, maar ze konden maar niet echt landen, daarvoor bleven ze toch te veel in mijn hoofd/geest steken. In die fase van mijn leven overleed mijn moeder na drie weken in coma gelegen te hebben door een hersenbloeding. Ik had nog nooit een sterfproces en de dood van zo dichtbij zien gebeuren. Samen met mijn vader heb ik vele uren naast haar gezeten. Zij was er tot aan haar dood van overtuigd dat er niets was na de dood. En nu ik zo dicht bij dit proces was, zag ik alleen maar rust, liefde en warmte. Het was een groot geschenk dat mijn moeder op deze manier is heengegaan. Ik ben dankbaar dat zij rustig en zonder lijden is gestorven en dat wij dit van dichtbij in alle rust hebben mogen meemaken.
Het is niet dat ik nu de antwoorden had, maar mijn yoga-beoefening bleek mij tijdens deze hele periode te ondersteunen. In mijn afscheidsrede tijdens de uitvaart van mijn moeder bedankte ik haar dat zij mij op het yoga-pad gezet had door mij als klein jongentje te laten zien dat zij helemaal blij terugkwam van haar yogalessen. Hoewel dit waar is, weet ik inmiddels dat mijn moeder misschien toen wel blijer was van de reiki die zij tijdens de lessen ontving. Zo zie je maar, dat de werkelijkheid alleen maar is wat wij in onze geest ervan maken en dat ondanks dat de wereld anders is dan wij denken er toch mooie dingen voortkomen uit dat “verkeerde” beeld.
Door mijn goede ervaringen met yoga wilde ik mij er verder in gaan verdiepen en daarom ben ik een yogaleraar opleiding van vijfhonderd uur gaan doen. Tijdens de intake werd gevraagd of ik een paar houdingen (asana’s) kon laten zien waaronder de lotushouding. Door de vraag realiseerde ik mij dat ik als klein jongentje zwart-wit foto ’s had gezien van een man die allemaal rare houdingen deed en dat ik daardoor als kind zelf in de lotushouding ging zitten. Nadat ik dit aan de docent vertelde, kwam zij met het inzicht dat er in de yogafilosofie vanuit wordt gegaan dat als je deze asana al zo jong beheerst/doet, het misschien wel betekende dat je de opdracht hebt om iets met yoga te doen. Het werd mij op dat moment duidelijk dat ik eigenlijk al heel lang onbewust op dit yoga-pad zat. Eerst als kind door de foto’s, dan door mijn moeder’s blijheid en later ook nog eens door de ervaringen met adem en bekkenbodem bij de zwangerschapsyoga. Het waren allemaal zaden die mij duwtjes gaven richting de sportschool om het fysieke aspect van de yoga te gaan oppakken, waarna de opleiding volgde. Mooi verhaal toch? Ik weet alleen niet of ik deze gebeurtenissen nu mooi bij elkaar weet te plakken om er een logisch verhaal van te maken of dat het daadwerkelijk zo gegaan is. Lekker belangrijk kan je zeggen.
Wat ik belangrijk vond, was dat bij de opleiding er net zo veel aandacht aan houdingen als aan lesgeven en filosofie werd gegeven. Hier leerde ik dat yoga niet los gezien kan worden van het hindoeïsme met verhalen uit bijvoorbeeld de Bhagavad Gita, maar ook de Veda’s, heilige geschriften die wel duizend jaar voor onze jaartelling hun oorsprong hebben. Hoewel ik het heel boeiend vond, kon mijn westerse geest dit allemaal niet onthouden. Daarentegen bleven de sutra’s van Patanjali, met daarin het achtvoudige yoga pad naar verlichting, beter hangen. En toch hielp mij dit ook niet met antwoorden op het “niets”. De acht yoga-stappen zijn gelukkig redelijk concreet. De beoefening van deze (yoga)stappen zoals houdingen (asana’s), adem-controle (pranyama’s), het terugtrekken van je zintuigen (Pratyahara) en (één-puntige) concentratie (Dharana) /meditatie (Dhyana) helpen mij nog tot op de dag van vandaag met gelukkig zijn in het dagelijks leven. Het yoga-pad gaat mis bij mij zodra er over verlichting wordt gesproken. Verlichting houdt in deze filosofie dan in dat ik één kan worden met een hoger bewustzijn, wat in de teksten als “Zelf” wordt beschreven. Let op: zelf wordt met een hoofdletter geschreven net als in het Christendom dit gebeurt met het woord God. Dit raakt niet alleen mijn allergie met het concept god, maar het gaat er ook over dat ik wederom niet zie hoe in deze yogafilosofie het klopt dat mijn “ik” verdwijnt en hoe die “ik” dan onderdeel van iets groters kan zijn/worden. Mijn vraag blijf dan: Als ik er niet ben omdat de “ik” of het “ego” onderdeel wordt van het “al”, hoe kan ik dat dan ervaren als niets meer over is van mijn “ik”? Mijn (voor)ouders hadden dus misschien wel gelijk dat er niets is na de dood of na verlichting zoals in de yogafilosofie. Alleen hadden mijn (voor)ouders mij niet meegegeven dat het “niets” niet beangstigend was omdat mijn ego er niet meer zou zijn om het “niets“ te aanschouwen. Mijn ego zou na de dood tenslotte ook verdwenen zijn. “Ik” of mijn ego en geest zouden er niet meer zijn om het “niets” te ervaren. Mijn angst was daarmee in mijn idee en ook in mijn gevoel ongegrond. Dit begon ik door al mijn yogabeoefening steeds meer te ervaren en te doorvoelen, maar toch kon ik dit niet helemaal aanvaarden of ernaar leven.
Gelukkig begon ik aan het eind van mijn opleiding met een specialisatie in meditatie en daar vond ik de voor mij resterende antwoorden op mijn onrustige gevoel. De leraar was een mindfulnesstrainer. Zij liet ons zien dat de mindfulness schatplichtig was aan het Boeddhisme en dat het achtvoudige pad van yoga en van de Boeddha veel overeenkomsten vertonen. Historisch gezien is dat niet raar omdat de Boeddha een paar honderd jaar voor Christus leefde. Hij groeide op in een hindoeïstisch land en toen hij zijn pad begon, deed hij dit met wijsheden van mensen, brahmanen, die uit die levensovertuiging voortkwamen. Zijn voorouders en zijn cultuur hebben zijn denken beïnvloed. Bijzonder is dat naast dat de Boeddha beïnvloed is door het hindoeïsme er ook de gedachte is dat zijn achtvoudig pad populair was op het moment dat Patanjali zijn achtvoudig-yoga- pad opschreef. Dit was zo’n driehonderd jaar nadat de Boeddha leefde en dat kan dus betekenen dat Patanjali misschien weer beïnvloed was door de ideeën van de Boeddha. Overtuigingen komen blijkbaar niet voort uit één bron, maar kennen blijkbaar veel verschillende zaden die groeien en bloeien tot een mooie tuin aan denkbeelden.
Omdat de mindfulness zijn oorsprong bij het Boeddhisme heeft raadde mijn leraar ons boeken aan over de leer en het leven van de Boeddha van Thich Nhat Hanh (Thay). Zijn werk was weer de bron voor het denken van meditatieleraar Jack Kornfield en de grondlegger van de westerse en seculiere mindfulness Jon Kabat Zin. Ik dook hier vol in en vond hier op zowel rationeel als gevoelsniveau mijn thuis. De basis is net als bij yoga nog steeds adem, concentratie en meditatie, maar dat is slechts het startpunt voor diepe aandacht en diep kijken naar de wereld om ons heen. Zo leerde ik zien dat wij ontstaan uit bouwstoffen van alles om ons heen en dat wij daar niet los van staan. Als we naar een bloem kijken zien we ook de compost en het water en de zon waar die uit voortgekomen is. En als de bloem sterft wordt hij wederom compost, wat weer het startpunt is voor een volgende cyclus. Dit sluit nauw aan bij het verhaal van de cyclus van een wolk. Het Boeddhisme noemt dit non-dualisme en Thay noemt dit inter-zijn. Alles is met elkaar verbonden en als je maar diep genoeg kijkt kan je dit in alles zien. Dit inzicht in inter-zijn wordt gecombineerd met het idee dat mijn ik dan wel mijn ego slechts voortkomt uit mijn geest. Mijn “ik” kan niet bestaan zonder mijn geest of andersom kunnen mijn geest en de gedachten er niet zijn zonder dat ik er (fysiek) ben. Voor mij zorgde deze combinatie van concepten dat ik voor mijzelf helderheid kreeg. Natuurlijk bestaan geboorte en dood, maar ik bestond al voor mijn geboorte in mijn voorouders en in de sterrenstof, net als dat wanneer ik doodga, ik zal voortbestaan doordat ik weer onderdeel word van het universum en ik zal voortbestaan door de invloed die ik heb gehad met mijn denken, spreken en handelen op mijn kinderen en misschien een klein beetje op de wereld. Het enige wat na mijn dood niet meer zal bestaan zijn mijn ik of mijn ego. Maar dat is niet erg want dat maakt mijn ik niet mee want die bestaat uiteindelijk alleen maar in mijn geest.
Mijn ego heeft er behoefte aan om een begrijpelijk verhaaltje te hebben over mijn bestaan en over mijn zijn. Ik zou waarschijnlijk niet zo vrolijk of optimistisch zijn als de wereld en mijn plaats daarin voor mij niet zouden kloppen. Ik ben opgevoed met het idee dat religie een onderdrukkend fenomeen is en dat er niets is na de dood. Ik heb daar mee geworsteld en ben er angstig door geweest. Nu vind ik in de denkbeelden in de traditie van Thay een manier om op een liefdevolle en warme manier met de gedachte over het “niets” na de dood om te gaan. Toch zal ik in lijn met mijn opvoeding mij niet snel een Boeddhist of yogi noemen omdat voor mij dat toch te veel riekt naar submissie en daarmee onderdrukking.
Ik las ergens dat Millennials levensfilosofieën en geloofsovertuigingen gebruiken als een all-you-can-eat-buffet en er de voor hen nuttige deeltjes uit kiezen. Er werd daar negatief over geoordeeld omdat zij daarmee alleen maar het zoet en niet het zuur nemen. Ik vraag mij af of dit echt waar is en of wij mensen dat niet altijd hebben gedaan. We geven een eigen draai aan het geloof dat we aanhangen zodat het ons past. Zoals jullie net hebben kunnen lezen heb ik dat volgens mij ook gedaan. Ik heb misschien wel een pastiche gemaakt van Marxisme, Katholicisme, Antroposofie, New age, coaching tools, yoga en Boeddhisme. Je kan zeggen dat ik er een rotzooitje van heb gemaakt. Al deze rotzooi die ik heb verzameld op mijn spiritueel pad behoort nu tot Jan’s mentale inboedel. Het doet er niet zoveel toe wat anderen daarvan vinden. Het is de janboel van mij en ik ben er best gelukkig mee. Ik hoop dat jij ook jouw pad hebt gevonden of dat anders dit blog jou helpt om diep te kijken naar wat voor jou een richting zou kunnen zijn. Het is tenslotte slechts jouw geest die de beste wereld voor jou creëert en wie weet er nou echt zeker wat de waarheid of werkelijkheid is?
Ik ben Jan Monster, de blogger van Wat zegt Jan. Je kunt hier contact met me opnemen. Wil jij dagelijks citaten uit mijn blogs zien of geen blog missen, volg dan de Wat zegt Jan-pagina’s op Bluesky, Facebook, Instagram, LinkedIn, Threads, WordPress.com en X





























